Nederland is in de loop van de tijd van een standen- in een klassenmaatschappij veranderd. In de negentiende eeuw kende ons land een ‘betrekkelijk gesloten samenleving’¹. Hier was de samenleving volgens sociaal-historici (waaronder Brugmans) in twee delen te benoemen. Tachtig tot vijfentachtig procent van de bevolking kon worden gerekend tot het ‘volk’ of de ‘armen’. Het overige deel van de Nederlanders bestond uit de ‘aanzienlijken’, zoals ze zichzelf noemden. Iemand uit een lagere stand had vrijwel geen mogelijkheden om in een hogere stand terecht te komen. Inmiddels is een standenmaatschappij als deze verleden tijd. De Nederlandse maatschappij kan tegenwoordig tot een klassenmaatschappij worden gerekend. Hierin bestaat de mogelijkheid om door middel van sociale mobiliteit hogerop te komen. Sociale mobiliteit wil zeggen: de mogelijkheid om ongeacht je afkomst op basis van je prestaties vooruit te komen.
In onze maatschappij zijn de middelen niet gelijk verdeeld tussen de individuen. Op basis van deze verdeling ontwikkelt zich een sociale hiërarchie. De positie van een persoon binnen deze hiërarchie bepaalt zijn sociaal-economische status. Deze kan veranderen door eventuele sociale mobiliteit. De mogelijkheid tot het herbepalen van de door personen beklede sociaal-economische posities brengt openheid van de samenleving tot uitdrukking. Daarbij wordt integratie of maatschappelijke betrokkenheid versterkt. Tussen verschillende generaties kunnen veel mutaties in sociale mobiliteit bestaan. Hiermee wordt bedoelt dat een zoon van een loodgieter bijvoorbeeld een goede kans heeft om zelf advocaat te worden. Dit verschijnsel wordt intergenerationele mobiliteit genoemd. Er kan hierbij onderscheid worden gemaakt tussen beroepsprestige- en inkomensmobiliteit. Van deze aspecten is een steekproef genomen om te kijken of sociale mobiliteit wel in zo’n hoge mate als wordt gezegd voorkomt. Het is de vraag of sociale mobiliteit in de praktijk ook zo veelvuldig aan bod komt als in sociologische studies. [...]