Opdracht Sociologie

Matthijs van der Ven | February 25th, 2004 - 1:19 pm

Nederland is in de loop van de tijd van een standen- in een klassenmaatschappij veranderd. In de negentiende eeuw kende ons land een ‘betrekkelijk gesloten samenleving’¹. Hier was de samenleving volgens sociaal-historici (waaronder Brugmans) in twee delen te benoemen. Tachtig tot vijfentachtig procent van de bevolking kon worden gerekend tot het ‘volk’ of de ‘armen’. Het overige deel van de Nederlanders bestond uit de ‘aanzienlijken’, zoals ze zichzelf noemden. Iemand uit een lagere stand had vrijwel geen mogelijkheden om in een hogere stand terecht te komen. Inmiddels is een standenmaatschappij als deze verleden tijd. De Nederlandse maatschappij kan tegenwoordig tot een klassenmaatschappij worden gerekend. Hierin bestaat de mogelijkheid om door middel van sociale mobiliteit hogerop te komen. Sociale mobiliteit wil zeggen: de mogelijkheid om ongeacht je afkomst op basis van je prestaties vooruit te komen.

In onze maatschappij zijn de middelen niet gelijk verdeeld tussen de individuen. Op basis van deze verdeling ontwikkelt zich een sociale hiërarchie. De positie van een persoon binnen deze hiërarchie bepaalt zijn sociaal-economische status. Deze kan veranderen door eventuele sociale mobiliteit. De mogelijkheid tot het herbepalen van de door personen beklede sociaal-economische posities brengt openheid van de samenleving tot uitdrukking. Daarbij wordt integratie of maatschappelijke betrokkenheid versterkt. Tussen verschillende generaties kunnen veel mutaties in sociale mobiliteit bestaan. Hiermee wordt bedoelt dat een zoon van een loodgieter bijvoorbeeld een goede kans heeft om zelf advocaat te worden. Dit verschijnsel wordt intergenerationele mobiliteit genoemd. Er kan hierbij onderscheid worden gemaakt tussen beroepsprestige- en inkomensmobiliteit. Van deze aspecten is een steekproef genomen om te kijken of sociale mobiliteit wel in zo’n hoge mate als wordt gezegd voorkomt. Het is de vraag of sociale mobiliteit in de praktijk ook zo veelvuldig aan bod komt als in sociologische studies.

Beroepsprestigemobiliteit

De plaats op de maatschappelijke ladder van iemand hangt sterk af van zijn of haar beroep. Met behulp hiervan onderzoeken sociologen intragenerationele mobiliteit over een periode langer dan een jaar en stellen zij intergenerationele mobiliteit vast. Het onderzoek naar beroepsprestigemobiliteit is eenvoudiger te bewerkstelligen dan onderzoek naar inkomensmobiliteit. Dit komt omdat mensen over het algemeen geen moeite hebben om te vertellen wat voor werk ze doen dan met het bekendmaken van hun inkomen. Een beroep neemt een bepaalde status met zich mee. Wie advocaat is krijgt meestal meer aanzien dan een vuilnisman. In onderzoeken wordt gebruik gemaakt van beroepsprestigeladders, die door middel van steekproeven worden samengesteld. Dit werkt de kritiek op de onderzoeken weg van mensen, die meenden dat sociologen zelf beroepen een waardeoordeel geven. In onderzoeken naar beroepsprestige wordt ook wel gebruikgemaakt van categorieën. Omdat niet alle voorkomende beroepen in een onderzoek vermeld of gebruikt kunnen worden, deelt men soortgelijke beroepen in in een bepaalde categorie, die vervolgens dezelfde prestigescore krijgen toebedeeld. Ook dit geeft aan dat men zoveel mogelijk de willekeur probeert uit te bannen. Sinds 1953 wordt er steeds onderzoek gedaan naar sociale mobiliteit. In 1953 werd er voor het eerst onderzoek gedaan naar sociale mobiliteit in Nederland en een beroepsprestigeladder vervaardigd.

Inkomensmobiliteit

Naast de beroepsprestigemobiliteit kan ook inkomensmobiliteit als vorm van sociale mobiliteit worden genoemd. Inkomensmobiliteit betreft de verschillen in inkomen, waar sociologen al meerdere malen onderzoek naar hebben gedaan. Bij de mobiliteit van het inkomen gaat het echter om veranderingen in het inkomen. Het onderzoeken van inkomensmobiliteit gaat moeilijk omdat gegevens over inkomens in de praktijk niet vaak voor onderzoek beschikbaar worden gesteld. Binnen de afgenomen ‘steekproef’ bestaat die mogelijkheid -door middel van schatting- wel, maar daar kunnen geen spijkerharde conclusies aan verbonden worden. Overigens brengt het Centraal Bureau voor de Statistiek (CBS) wel regelmatig cijfers met betrekking tot het inkomen naar buiten.

Zo zijn er op de site van het CBS (www.cbs.nl) publicaties te vinden over het gemiddeld inkomen per regio, de verdeling van de inkomenstrekkers over de landelijke 25%-groepen (groepen die verdeeld zijn in een kwart van het totale inkomensspectrum met daarin hoge inkomens tot lage inkomens) en een aantal ongelijkheidsmaten per gemeente in de jaren 1955 en 1994. Hieruit valt af te leiden hoe het gemiddelde inkomen per gemeente in de loop van de tijd zich heeft ontwikkelt ten opzichte van het gemiddelde inkomen op nationaal niveau.

Praktijksituaties

In de praktijk hoeft sociale mobiliteit niet altijd de vormen aan te nemen die de theorie van sociale mobiliteit verondersteld. Sommige mensen stijgen en dalen op de nauwelijks maatschappelijke ladder. Toch is sociale mobiliteit over het algemeen wel een bekend verschijnsel in de Nederlandse (én moderne) samenleving. We nemen als voorbeeld een gezin in de jaren vijftig. De man en vrouw werken allebei, wat toch enigszins opmerkelijk is. Ondanks dat de vrouw werkt worden vijf kinderen opgevoed. De man is directeur van de eerste autodealers in de stad Delft. De vrouw werkt tot begin 1963 -toen mensen elkaar voor het eerst rechtstreeks konden bellen- als telefoniste in een telefooncentrale waar telefoonabonnees op hun verzoek werden doorverbonden met andere abonnees. Beide ouders van deze man en vrouw werkten als respectievelijk bakker en verkoopster in een bakkerij. De derde generatie van deze familie, die op dit moment rond de vijftig jaar is, werkt voor de overheid. De man is werkzaam als directeur onderwijs bij een gemeente, en de vrouw werkt als afdelingsleidster op een bibliotheek. Er kan worden gesteld dat qua sociale mobiliteit -volgens de beroepsprestige ladder uit 1953- ¹ de man in de tweede generatie een laag ten opzichte van de voorgaande generatie is gestegen. De andere generatieverhoudingen komen er op neer dat de laag in de beroepsprestige ladder vrijwel niet is veranderd. Desondanks is de laatste generatie wel weer een laag gestegen. Alhoewel de bewuste beroepsprestige ladder uit 1953 afkomstig is, dus daar kan vanzelfsprekend niet uitermate veel uit geconcludeerd worden. Toch kan worden gezegd dat sociale mobiliteit hier wel aanwezig is.

Een ander voorbeeld is een familie waarvan de eerste generatie zich het laagste op de beroepsprestige ladder bevindt. De man had als enige opleiding de lagere school doorlopen. Hij is in het leger gegaan en heeft daarna werk gevonden in een staalfabriek, waar hij tot aan zijn pensioen is blijven werken. De vrouw in de eerste generatie was een traditionele huisvrouw, ze deed dus het huishouden. De man uit de tweede generatie is op HBO-niveau opgeleid, heeft verschillende banen gehad en is nu een IT-adviseur. Ook heeft hij vele certificaten en diploma’s behaald. De vrouw uit de tweede generatie is na het middelbaar onderwijs gaan werken. Eerst was het de bedoeling dat ze na een jaar een vervolgopleiding zou gaan volgen, maar het werk beviel en ze besloot niet verder te gaan leren. Na jarenlang gewerkt te hebben, stopte zij met werken om een full-time huisvrouw te worden, maar ze is later toch weer begonnen met part-time te werken bij een kopieerbedrijf.

De kinderen van de man en vrouw uit de tweede generatie zijn alledrie nog aan het studeren. De oudste zoon heeft na zijn VWO-opleiding eerst Management, Economie en Recht gestudeerd op HBO-niveau en is nu bezig aan een versnelde Rechtenstudie. De tweede zoon heeft ook zijn VWO-diploma en studeert ook Rechten aan de universiteit. De jongste zoon is na het behalen van zijn VWO-diploma begonnen aan de studie Journalistiek. Wat betreft werk, is de tweede generatie dus duidelijk hoger op de ladder gekomen dan de eerste. Of de derde generatie ook weer stijgt op diezelfde ladder vergeleken met de tweede moet natuurlijk nog blijken in de toekomst. Aan de hand van het opleidingsniveau is te verwachten dat de drie zonen ongeveer even hoog of hoger op de ladder komen dan hun ouders. De vraag blijft natuurlijk hoe (toekomstige) partners van invloed zullen zijn op die ontwikkeling.

Daarmee komen we op het punt van trouwpatronen binnen het verschijnsel van sociale mobiliteit. Het is opvallend dat ondanks stijging en daling op de maatschappelijke ladder huwelijkspartners zich hierin meestal in de buurt van hun partners bevinden. Naast trouwpatronen worden situaties als deze doorgaans aangeduid als vormen van onderwijsheterogamie. Over het algemeen bestaat er dus zoals gezegd een grote verwantheid in sociale mobiliteit tussen huwelijkspartners, en vaak ook hun familieleden.

Tot slot

Sociale mobiliteit komt voor, maar wellicht niet in zo’n grote mate als gedacht. Het verschijnsel is vaak iets uit het verleden, zoals uit de ‘steekproef’ blijkt is er momenteel geen sprake van opzienbare sociale mobiliteit. Op zich ontwikkelen de latere generaties zich in de voetsporen van hun ouders. Deze ouders hebben vaak wel grote sprongen van sociale mobiliteit meegemaakt. Dit wil echter niet zeggen dat sociale mobiliteit naar alle waarschijnlijkheid in toekomst tot het verleden zal behoren. Sociale mobiliteit is wel degelijk nog steeds goed mogelijk in de Nederlandse maatschappij.

Hierbij kunnen de huidige 2e of 3e generatie allochtonen (en ook de generaties daarna) als voorbeeld dienen. Zij zullen zich in de loop van de tijd in die mate gaan ontwikkelen, dat de afkomst en het beroep van hun ouders steeds minder zal gaan meespelen. Ouders kwamen vroeger naar Nederland als fabrieksarbeider, nu hebben de generaties na hen door middel van het Nederlandse onderwijssysteem –en eventueel de positieve discriminatie bij sollicitaties- alle mogelijkheden zich goed te ontwikkelen op de maatschappelijke ladder. Sociale mobiliteit is dus zeker niet dood. Sterker nog, waarschijnlijk zal sociale mobiliteit door de huidige ontwikkelingen steeds meer voorkomen in de Nederlandse samenleving.

Bronnen

Internet http://www.cbs.nl/ (site cbs, statline)

Boek Sociologie: vragen, uitspraken, bevindingen ¹

Wil Arts, Henk Flap, Wout Ultee

You can leave a response, or trackback from your own site.

Leave a Reply