Schnabbelen ruïneert het imago van de journalistiek

Matthijs van der Ven | October 25th, 2004 - 1:41 pm

GeldJournalisten moeten stoppen met bijklussen

Sociologie van de Journalistiek

Dat bijklussen door journalisten voorkomt is al langer bekend. Het gebeurde tien jaar geleden, het gebeurt nu en zal ook in de toekomst gebeuren. Ondertussen loopt het imago van de journalistiek flinke schade op. Journalisten die bijklussen zijn niet serieus met hun beroep bezig en zouden zichzelf en hun beroep een dienst bewijzen wanneer ze stoppen met schnabbelen. Zo niet, dan ruïneren zij een totale beroepsgroep.

KRO-programma Reporter publiceerde na drie jaar getouwtrek met de overheid de namen van journalisten die af en toe of regelmatig voor een ministerie of een zelfstandig bestuursorgaan hebben bijgeklust. Vrijwel onmiddelijk ontstond er een grote discussie over de bedragen die journalisten voor deze klussen ontvangen en de gevolgen die deze klussen met zich mee nemen voor de journalistiek. Alle kranten, opiniebladen, journaals en andere journalistieke televisie- en radioprogramma’s mengden zich in de discussie.

Journalist Jacco Versluis is namens Reporter verantwoordelijk voor het openbaar maken van de lijsten met bijklussende journalisten. “We hadden de indruk dat de pers en de politici wel erg klef met elkaar waren. Maar je wilt zoiets kunnen onderbouwen, dus dan ga je denken hoe je harde feiten kunt krijgen waaruit dat zou blijken. Toen was er het idee dat als journalisten wel eens wat doen voor de overheid, dan zullen ze er waarschijnlijk voor worden betaald en dat moet je terugvinden in de administratie. Dat kun je via de Wet Openbaarheid van Bestuur opvragen. Dat deden wij dus ook. Uiteindelijk heeft de rechter ons in het gelijk gesteld, maar daar ging wel een paar jaar overheen.”

Op de lijsten komen bijvoorbeeld nieuwslezers Gijs Wanders en Annette van Trigt voor, die gedurende een langere periode aan de uitkeringsinstantie UWV verbonden waren. Wanders kreeg voor deze werkzaamheden een ton per jaar op zijn rekening bijgeschreven. Zijn salaris bij het NOS journaal is aanzienlijk minder hoog. Wanders en Van Trigt zijn slechts twee voorbeelden van een enorme lijst bijklussende journalisten waarop verder onder anderen Paul Witteman, Frits Wester, Ferry Mingelen, Felix Meurders en Philip Freriks voorkomen. Congressen voorzitten, debatten leiden, de overheid adviseren en soms zelfs mediatrainingen geven; het zijn activiteiten waarvoor vaak journalisten worden gevraagd en in sommige gevallen krijgen zij daarvoor een zeer riante beloning.

Natuurlijk is het prachtig voor de journalisten zelf om veel geld te verdienen voor slechts een dag werk. Zij laten echter hiervoor wel hun geloofwaardigheid en die van hun vak schieten. Wat moet de kijker denken als blijkt dat dezelfde regisseur Ingeborg Beugel die voor het IKON-programma een documentaire maakte over de Raad voor de Kinderbescherming, twee maanden voor de uitzenddatum daarvan nog mediatraining gaf bij diezelfde instelling? Of wanneer Andries Knevel voor wat geld dagvoorzitter speelt bij een congres van het Ministerie van Financiën, daar onder anderen Gerrit Zalm interviewt, en vier dagen later dezelfde minister in zijn EO-programma Het Elfde Uur aan tafel heeft?

Versluis zegt hierover: “De geloofwaardigheid van een journalist komt erdoor in het geding. Je wilt als journalist dat mensen luisteren, lezen of kijken naar wat jij te zeggen hebt. Daarbij is het niet alleen belangrijk dat het verhaal klopt, maar dat het ook geloofwaardig is en dat wordt mede bepaald door hoe geloofwaardig de mensen het medium vinden. Als het NRC Handelsblad met een verhaal komt dat op anonieme bronnen is gebaseerd, zullen de meeste mensen dat meer serieus nemen dan wanneer de Privé dat doet. Dus de geloofwaardigheid van het medium, de journalist, is belangrijk. Op het moment dat je als journalist, die toch door de mensen wordt gezien als een soort kritisch volger van politici, voor diezelfde politici, diezelfde overheid wel eens wat doet, dan komt die geloofwaardigheid, in het geding. In ieder geval voor het publiek.” Er bestaat blijkbaar ook geen enkele drang om die geloofwaardigheid te verdedigen bij zowel Knevel als Witteman. Beiden geven te kennen er niet over te willen praten.

Het Basisboek Journalistiek van Nico Kussendrager en Dick van der Lugt vertelt over de onafhankelijkheid van de journalist: ‘ Om de journalistieke onafhankelijkheid te waarborgen moet de journalist waken tegen iedere vorm van belangenverstrengeling. Dit betekent: geen actieve betrokkenheid in organisaties of instellingen die lobbyen voor politieke of bedrijfsbelangen voor zover het vermogen tot onpartijdige berichtgeving hierdoor kan worden geschaad. Ook betekent dit: geen vermenging van de journalistieke rol met andere rollen en geen financiële belangen. (…) Journalisten die in een politieke discussiegroep, indirect verbonden met een politieke partij, zitting namen, hadden de schijn tegen: hun onafhankelijkheid was in het geding. (…) Vermijd altijd de schijn van belangenverstrengeling.’

Journalisten moeten de macht controleren en kritisch berichten over zaken als topmanagers die zichzelf verrijken, fouten van overheidsinstanties, gebeurtenissen op Haagse ministeries en nevenfuncties van gezagsdragers. Dat moet vanuit een zo onafhankelijk mogelijke positie gebeuren zodat het publiek weet dat vooral het algemeen belang wordt gediend. Die beroepsopvatting lijkt utopisch en dit blijkt al helemaal nu de lijsten van bijklussende journalisten door Reporter zijn gepubliceerd. Het vertrouwen in de journalistiek was al flink beschadigd en de reacties van sommige schnabbelaars hielpen ook niet mee dit vertrouwen te herstellen.

Marc Josten, eindredacteur van KRO Reporter, schrijft op zijn website: “Reporter kreeg daarvoor hier en daar lof toegezwaaid. Maar we kregen ook, vaak via-via, te horen dat we willens en wetens de eigen beroepsgroep in een kwaad daglicht stelden. Ik vind dat een onzinnige opvatting. Wij eisen van politieke partijen en instellingen transparantie. Maar als wij publiceren over de bijbanen van onze eigen beroepsgroep, zou dat niet kunnen. Dat is hypocriet. Transparantie moet in de vezels van iedere journalist zitten. Onze kijkers, onze lezers, hebben er recht op te weten of we meerdere broodheren dienen.”

Journalisten zijn vaak degenen die vooraan in de rij staan wanneer er bij een minister, staatssecretaris of topman van een groot bedrijf sprake blijkt te zijn van een of meerdere belangenverstrengelingen. Vrijwel allemaal spreken ze er dan schande over en nieuws- en opinie-artikelen, columns, televisie- en radioprogramma’s kunnen er dan mee worden gevuld. Door al deze publicaties krijgt het publiek al snel het idee dat er in grote mate sprake is van dit soort gevallen. Een beroepsgroep krijgt bij een publiek, naar aanleiding van negatieve berichtgeving, al snel een slecht imago. Opeens zijn alle mensen met een topfunctie in een groot bedrijf zakkenvullers. Dit gevaar dreigt dus ook waar het de journalistiek betreft. Juist de journalistiek, omdat journalisten normaal gesproken wantoestanden aankaarten en onder de aandacht van de bevolking brengen. Ineens lijkt de journalistiek dus niet alleen zelf ook last te hebben van tegenstrijdige belangen, maar is de hele professie een hypocriete geworden. Tenminste, in de ogen van een gedeelte van ‘het publiek’.

Lang niet alle journalisten schnabbelen. En van de journalisten die schnabbelen, ontstijgt een overgroot deel niet het niveau van een keer een discussie voorzitten. Een heel klein groepje doet echt het mediatrainen van bewindspersonen, wat velen zien als de grootste zonde. Maar het gebeurt en het gebeurt op vrij grote schaal.

Ook het lesgeven op een school voor journalistiek is volgens het woordenboek een schnabbel, want het is een nevenactiviteit. Iemand heeft een hoofdbaan en doet daar iets bij en wordt daar voor betaald. Dat is een acceptabele schnabbel. Het gaat erom dat een kritisch journalist geen dingen doet voor instanties, organisaties en dergelijke, die wel eens in het nieuws zouden kunnen komen. In theorie kan alles wel een keertje in het nieuws komen, maar sommige dingen zijn te voorspellen. Ministeries, overheidsinstellingen en grote bedrijven waar grote financiele en politieke belangen spelen, zijn dingen waarmee een journalist waarschijnlijk vaak mee in contact zult komen. Daar moet hij bij wegblijven. Het hoeft niet eens echt zo te zijn dat een nevenactiviteit daadwerkelijk het werk van een journalist heeft beinvloed. Alleen de schijn van afhankelijkheid is al dodelijk voor de geloofwaardigheid van een verhaal.

Versluis: “Veel van de journalisten die schnabbelen zeggen: ‘Ja, maar ik kan dat wel gescheiden houden, ik kan heel goed op vrijdagmiddag voorlichters een beetje bijpraten over hoe ik werk en de volgende dag een ongelooflijk negatief stuk schrijven over datzelfde ministerie’. Dat wil ik graag geloven, ik kan ook niet aantonen van schnabbelende journalisten dat ze ergens hun werk niet goed hebben gedaan. Ik geloof best dat ze integer zijn.” Het probleem is dat de integriteit van een journalist niet alleen door hemzelf wordt bepaald, maar ook door het publiek dat zijn journalistieke product leest, beluistert of bekijkt. “Mensen denken in het vervolg als Gijs Wanders iets zegt misschien wel ‘dat zeg je nu wel, maar van wie heb je nu weer geld gekregen’. Dat het bij Wanders niet zo werkt, nogmaals, dat wil ik graag aannemen, maar dat is wel het beeld dat het publiek heeft. Dat beeld slaat nu terug op de journalistiek in zijn geheel. We ‘zijn nu allemaal schnabbelaars’. Als journalist moet je maximale vrijheid hebben om kritisch te zijn over wat dan ook. Die speelruimte wordt kleiner als je dat soort verbanden aangaat.”

Het groepje bijklussende journalisten zou het dus voor de rest kunnen verzieken. Als de journalistiek eenmaal het imago van schnabbelaars heeft gekregen, is daar zeer lastig van af te komen. De kop die Joep Dohmen boven zijn artikel in NRC Handelsblad van 28 augustus heeft gezet, is wat dat betreft veelzeggend: ‘Beroepsgroep die collectief te koop lijkt’. De beroepsgroep is niet collectief te koop, integendeel, maar een groep, vaak bekende journalisten, krijgt de schijn tegen.

De redenen die de bijklussende journalisten opgeven zijn vaak hetzelfde: het is leuk, want je doet enorm veel contacten op en je kunt er ook nog van leren. Van dit soort reacties komt alleen nog maar meer het gevoel naar boven hoe hypocriet die redenen zijn. Iedereen weet dat een middagje debatleider spelen meer geld oplevert dan een hele week hard werken bij de oorspronkelijke baan. Natuurlijk spelen die factoren een rol, maar het ontkennen van de belangrijkste factor, het geld, brengt het imago van de journalist alleen nog maar meer schade toe. Alle verhalen over het opdoen van contacten en ideeën schrijft Jacco Versluis af als onzin: “Mensen doen het puur om het geld. Veel geld is leuk, je kunt ervan op vakantie, auto’s kopen enzovoort. Het zou de schnabbelaars sieren als ze dat gewoon een keer eerlijk zouden zeggen. Want het vrijwel altijd flauwekul-argumenten die worden gegeven.”

Zeker gezien de tijd waarin deze discussie is ontstaan, moet er echt iets fundamenteel veranderen. Het bijklussen is niet incidenteel, het is een probleem in de journalistiek dat niet op zichzelf staat. Het slechte imago dat de journalistiek krijgt moet aangepakt worden. Want op het moment dat het imago van de journalistiek zijn dieptepunt bereikt, is de geloofwaardigheid van de journalist verdwenen en verliest de journalistiek zijn functie. Eenzelfde probleem is de commercialisering van de journalistiek.

De kranten en de publieke omroep gaan steeds meer gebukt onder de tucht van de markt. Er moeten kranten worden verkocht, kijkcijfers moeten worden gehaald, marktaandelen moeten worden veiliggesteld en iedereen gaat op zoek naar de grootste deel. Er moeten zoveel mogelijk lezers en zoveel mogelijk kijkers aangetrokken worden. Jacco Versluis: “De gemiddelde smaak gaat, met alle respect, meer uit naar André Hazes en waar hij nou precies aan is overleden, dan naar een verhaal over wat voor gevolgen de bezuinigingen zullen hebben voor de gezondheidszorg.” Hierdoor wordt volgens Versluis de onderwerpkeuze gepopulariseerd en verandert de toon waarop er geschreven wordt. “Kranten moeten het steeds meer van de losse verkoop hebben. Hierdoor hebben kranten op zaterdag boven de vouw een populaire foto. Kranten brengen op zaterdag steeds meer eigen nieuwtjes en onderzoekjes. De puur journalistieke afweging, de puur journalistieke keuze van wat wel een verhaal is en wat niet, die wordt steeds minder gemaakt. Hij wordt steeds meer vervuild door ‘wat willen de mensen zien, wat willen de mensen horen, wat willen de mensen lezen’.”

Er is niets mis met het rekening houden met je publiek, maar er is sprake van een soort angst om saai arrogant te zijn. Versluis beschrijft het als volgt: “Als journalist mag je het soms echt wel beter weten dan je publiek. Het publiek wil Hazes, maar soms moet je gewoon zeggen: ‘Nou, interessant, maar dat zetten we gewoon op pagina vier’. Maar de krant moet verkocht worden dus wordt het toch maar op de voorpagina gezet.”

Er is een belangrijk verschil tussen wat het publiek wil weten en wat ze moeten weten. Nu is de neiging dat wat ze willen weten dus ook is wat ze moeten weten, maar mensen moeten soms dingen te zien krijgen die ze niet willen zien. En op dat moment zou een journalist dat dus toch moeten durven te doen. Helaas leert de ervaring dat die manier van doen slecht is voor de verkoop en de kijkcijfers. “Een democratie, een samenleving,”, aldus Versluis, “heeft een goede kritische, onafhankelijke pers nodig. En dat komt zo langzamerhand een beetje onder druk te staan als we allemaal achter de blote tieten aanrennen en niet achter Maxime Verhagen.” Net als het bijklussen van journalisten kan ook de commercialisering niet alleen de journalistieke waarde omlaag halen, maar ook overduidelijk het imago verpesten.

Als reactie op de ontstane ‘schnabbeldiscussie’ heeft Paul Witteman laten weten geen nieuwe klussen aan te nemen, omdat ook hij vindt dat het slecht is voor het imago van de journalistiek. De NOS heeft haar beleid verscherpt, het is nu ‘nee, tenzij’. Er zal heel karig worden gestrooid met uitzonderingen. De KRO, althans dat heeft de directie gezegd, zal alle nevenfuncties gaan publiceren en Reporter heeft daar alvast een voorsprong op genomen. Op de website van Reporter staat vermeld wie wat doet of gedaan heeft. Voorlopig lijken de inspanningen van Jacco Versluis dus meer publicitaire gevolgen te hebben gekregen dan echte veranderingen op het gebied van schnabbelen. “Ik denk dat mensen het komende jaar wat beter zullen opletten met wat ze doen, maar op den duur zal er toch weer een bedrijf aan de telefoon hangen dat een smak geld biedt. Ik moet het nog zien of over een jaar of langer de ‘snabbelpraktijk’ fundamenteel is veranderd”, aldus Versluis. Een verandering waarop elke journalist en ook zeker het publiek met smart op zou moeten zitten te wachten.

Politici en andere machthebbers zullen altijd een poging wagen iets er zo voordelig mogelijk uit te laten zien. Hierbij schrikken ze in sommige gevallen niet terug voor het verdraaien van informatie om de publieke beeldvorming in een voor hen positieve manier te beïnvloeden. Juist daarom is er de behoefte naar onafhankelijke journalisten die een maximale vrijheid hebben om kritisch te zijn en de waarheid te achterhalen. Journalisten moeten feiten en beweringen toetsen en verificeren. Daarom moeten ze onafhankelijk blijven van personen, instanties en bedrijven waarover ze moeten berichten. De journalistiek is er voor het publiek en dat is de reden waarom er alles aan gedaan moet worden, deze zo onafhankelijk, integer en geloofwaardig mogelijk te maken. Zeker in een tijd waarin commercialisering een steeds grotere rol speelt en nog zal gaan spelen, is onafhankelijkheid een groot, zo niet het grootste, goed van de journalistiek. De waakhond mag nooit een getemd huisdier worden. Zoals Bert Wagendorp het Hugo Borst vertelde: Hij moet het grootste, belangrijkste en mooiste wat hij bezit koesteren en beschermen: zijn onafhankelijkheid. Zelf weten dat je integer te werk gaat is niet voldoende. Het publiek moet het ook zeker kunnen weten. Voor twijfel is geen ruimte, journalisten moeten stoppen met schnabbelen.

Brongebruik:

§ Jacco Versluis – journalist bij KRO Reporter – telefonisch geinterviewd – Tel.0653786538

§ De Volkskrant – meerdere artikelen doorgelezen

§ NRC Handelsblad – meerdere artikelen doorgelezen

§ Trouw – meerdere artikelen doorgelezen

§ Algemeen Dagblad – meerdere artikelen doorgelezen

§ HP de Tijd – meerdere artikelen doorgelezen

§ Vrij Nederland – meerdere artikelen doorgelezen

§ Column Hugo Borst in het Algemeen Dagblad van 09-10-2004

§ Basisboek Journalistiek, Nico Kussendrager & Dick van der Lugt

§ Media-ethiek, H. Evers

§ Website KRO Reporter: http://www.kro.nl/reporter/

2 Responses to “Schnabbelen ruïneert het imago van de journalistiek”

  1. Joep Zander says:

    hoi, sterk artikel. Ik link het al een hele tijd.
    Onlangs was de url veranderd en vond ik het niet meer terug. Ik ben blij dat je zelf geen slachtoffer bent geworden van de zachte censuur.
    Ik zal de link nu in ieder geval aanpassen.
    vriendelijke groet
    Joep Zander

    • Matthijs says:

      Ha Joep,

      Sorry voor het late antwoord, maar bedankt voor het compliment. Het artikel is inmiddels zo’n 6 jaar oud, maar de situatie is op veel vlakken alleen nog maar verslechterd wat betreft de onderwerpkeuze van veel media.

      Over schnabbels hoor je niet meer zoveel, misschien is het verminderd, misschien wordt het toch weer geaccepteerd.

You can leave a response, or trackback from your own site.

Leave a Reply